Categorie archief: Oma vertelt

‘Oma vertelt’ in beeld gebracht

Oma Jitty en tante Ali. Twee zussen geboren in het Rotterdam van voor de oorlog. En twee van de 78.000 daklozen als gevolg van het bombardement op Rotterdam. De oorlog hebben ze overleefd, en lang na de oorlog – in mei 2014 – is hun verhaal opgetekend, kort voordat de laatste van de twee zussen overleed. De zussen zijn weer samen.

Fraukje en Femke, twee andere zussen, vonden dat het verhaal van hun oma Jitty beeld verdiende; de woorden van hun oma moesten tot leven gebracht. Gewapend met fototoestel, vergiet en plattegrond vertrokken zij naar Rotterdam. Een ietwat teleurstellende maar tegelijk hilarische èn bijzondere speurtocht volgde. Een verslag in woord en beeld.

Voorbereidingen

De voorbereidingen begonnen in Leiderdorp. De tekst werd erbij gepakt en alle genoemde straten en plaatsen werden gehighlight en op een lijstje geschreven, met bijzonderheden erbij. Toen kwam het ingewikkelde deel: de route uitstippelen. Fem stortte zich op Google Maps, Frauk tekende de plaatsen grofweg in op een kaartje van Rotterdam en daarna puzzelen wat de meest efficiënte route was. We moesten beginnen bij de watertoren, zoveel was duidelijk. En daarna lopen, lopen, lopen.

bomenknuffelaarsZo gezegd, zo gedaan. Startlocatie: de watertoren. In het machine- en ketelhuis naast de watertoren werkte Jitty’s vader. Daar, buiten het hek wachtte ze vaak op haar vader, die haar dan vanuit het raam kon zien staan. Hoe mooi dan ook dat op die plek, bij de boom, onze moeder en oma mag rusten? Dat maakte ons dan ook voor één dag in ons leven bomenknuffelaars.

Ali was op het moment van het bombardement op haar werk, bij mevrouw Lemm: “Het was een oud, rijk, klein en vooral naar wijffie. Ze had acht of negen kinderen, waaronder twee al bijna volwassen knullen. Toen het bombardement begon moesten de kinderen pannen gaan halen om op hun hoofd te zetten ter bescherming. Ali was natuurlijk maar een hulpje, dus tegen de tijd dat zij een pan kon pakken, waren die op. Ze heeft toen maar een vergiet op haar hoofd gezet. Daar stonden ze dan. Mevrouw Lemm en de kinderen met een pan op hun hoofd, en Ali erachter, met een vergiet. Later vertelde ze me dat het ondanks de dreiging van het bombardement zo’n absurd gezicht was, dat ze zich tranen heeft gelachen!”Door naar de Honingerdijk, waar volgens Dicky de familie Lemm had gewoond, waar Ali in de huishouding werkte, en waar ze tijdens de bombardementen met een vergiet op haar hoofd zich probeerde te beschermen.

Naar achteraf bleek, verkeerde locatie, maar wel een hilarisch moment. 🙂

Volgende halte: Oostmaaslaan, waar oma werkte bij Wasserij Bombeke. Ondertussen realiseerden we ons meer dan ooit tevoren hoe destructief de bombardementen waren geweest. Als mens in vrijheid kun je je er blijkbaar toch geen echte voorstelling van maken, dat alles wat eens was, niet meer teruggevonden kan worden. Niets dat uit de puinhopen was gevist en als gedenkteken is gebruikt, niets! We hadden onze pijlen gericht op de Brandgrensroute. Helaas, die bestond uit niet veel meer dan een serie brandgrensstenen, waar oneerbiedig een hele rits fietsen op gedumpt was.

Van de Oostmaaslaan is het een paar treden omhoog naar de Maasboulevard, met uitzicht op wat oma de Maasbrug noemde. Het bezit van de Maasbruggen was van cruciale betekenis voor de Duitsers, waardoor oma niet meer naar werk kon, zo dicht bij het heetst van de strijd. De Willemsbrug lijkt natuurlijk in niets meer op de brug die oma heeft gekend, maar natuurlijk moest toch ook de brug op de foto!

img_0740Na de Maasboulevard op naar de volgende stop. Eén die niets met de oorlog te maken heeft, maar wel heel belangrijk in het leven van oma: de Assendelftstraat (8c, Femke, niet 6c… Foei!). Hier heeft oma met haar kinderen een groot deel van het na-oorlogse leven gewoond en is zelfs voor mij nog een vertrouwde plek.

Van de Assendelftstraat op naar de Touwslagerstraat, waar oma woonde toen de oorlog uitbrak. Vandaar volgden we hun vluchtroute, naar de Lusthofstraat, door de Rubensstraat naar de Oudedijk en de ’s-Gravenweg. Onderweg kruisten we steeds dezelfde straten en liepen we gevoelsmatig maar een beetje op en neer. Toen kwam ineens het besef dat dat wellicht de essentie van vluchten is… Niet de meest efficiënte route van A naar B, maar wég van het gevaar! Tweede inzicht van de dag voor Zus & Zo.

Kralingse PlasEigenlijk stond de Ruivendwarsstraat 14 nog op ons programma: het huis waar oma is gaan wonen in september 1940. Maar onze voeten konden niet meer, het was over de 30° en de hoop nog iets terug te vinden dat aan de oorlog deed denken was wel een beetje verdampt. Dus linea recta naar het Kralingse Bos, waar niet het Zweeds wittebrood maar Hollands bruinbrood op ons wachtte!

Met versleten benen kwamen we thuis, en toen begon het echte werk pas! Foto’s bewerken, collages maken, teksten schrijven. Het resultaat is een boek met drie hoofdstukken: de tekst zoals die ook op mijn blog is te vinden, een hoofdstuk ‘behind the scenes’, met fotocollages van ons in actie tijdens onze zoektocht, en een hoofdstuk met mooie foto’s van bijzondere plekken in Rotterdam, gemaakt door Frauk.

Boek, USB en flesje Maaszand

Een aantal van de foto’s zijn binnenkort te zien op de site van Fraukje Vonk Photography.

P.S.:  Het boek hebben we gemaakt voor onze ouders, maar als er familieleden misschien geïnteresseerd zijn, het boek is eventueel te bestellen voor 25€, exclusief 1,95€ verzendkosten. Het is een hardcover fotoboek op A4 formaat, met zijdeglanzende pagina’s van 200 grams karton. Dus van hogere kwaliteit dan het proefexemplaar dat een aantal mensen gezien hebben.

 

Advertenties

Van een meisje en een watertoren…

Er was eens een klein meisje. Een klein meisje, op een strandje aan de Maas, bij de Rotterdamse watertoren, wachtend op haar vader die bijna klaar was met zijn werk. Ik stel me voor hoe het meisje haar vader een knuffel geeft, en naast hem meehuppelt naar haar veilige thuis, naar haar moeder, haar broers, haar zus.

Op 14 mei 1940 wordt het veilige thuis van het meisje in één klap weggebombardeerd. Het meisje is ongedeerd, maar veilig voelt ze zich niet meer. Het harde geluid van overbulderende vliegtuigen doet haar de handen voor de oren slaan, en dat zal ze haar leven lang blijven doen.

Maar de oorlog gaat voorbij en het meisje gaat verder. Ze wordt vrouw, ze wordt moeder, krijgt twee dochters en twee zonen.

Het meisje moet een besluit nemen dat kleine meisjes niet zouden hoeven moeten maken: ze voedt haar kinderen voortaan alleen op. Ze werkt hard, kent tegenslagen, maar ook prachtige momenten. Het meisje wordt grootmoeder, overgrootmoeder zelfs, en trekt als ouder geworden meisje nog de wereld over met haar zus. En de meisjes lachen zoals alleen meisjes dat kunnen doen…

Dan verliest het meisje haar zus, en daarmee haar zin om te lachen, om te leven zelfs. Het meisje wil weer naar de watertoren, daar langs de Rotterdamse Maas.

Haar wens wordt vervuld. Op 14 december brengen haar kinderen het kleine meisje terug naar de watertoren, waar haar vader op haar zal wachten om haar naar haar veilige thuis te brengen, naar haar moeder, haar broers, haar zus.

Lieve oma, geniet van je nieuwe veilige thuis. Lach alsjeblieft weer tranen met tuiten met je zus, knuffel iedereen die je lief is. Wij houden jouw lach en jouw knuffels hier in leven…

Oma vertelt niet meer…

In oma’s laatste sms aan mij – en hoé stoer is dat – schreef ze: “Femmelientje, bedankt voor je mooie verhaal, kunstig gedaan. Je bent een schat. Liefs, oma”. Dat was 7 mei 2014. Nooit, maar dan ook nooit is het in mij opgekomen dat ik nog geen vier maanden later deze woorden van afscheid op ‘papier’ zou zetten. Oma vertelt niet meer…

Bij oma in RotterdamMijn ‘oompie’, klaar met het leven, vol verwachting uitkijkend naar het weerzien met je zus, je vader, je moeder. Ik ben gelukkig voor jou. Maar vind je het goed dat mijn hart even moet huilen? Mijn oompie, je was er gewoon altijd. Behalve papa en mama kon niemand zo goed voor mij zorgen als jij. Jouw huis was mijn huis. De tv op het radiomeubel in de hoek van de kamer, waar ik misschien wel honderden zaterdagen naar Rikkie en Slingertje heb gekeken, naast de deur naar de kamer van Cor. De zinken teil op zolder, de zolder waar ook de kamer van John was met stapels Suske en Wiske’s en intrigerende ‘bierlaarzen’ waar ik altijd even stiekem naar ging kijken. Het houten vlonder voor de doucheruimte. De plastic slang aan de kraan in de keuken. De gaskachel in de huiskamer. De glazen schuifdeur naar je slaapkamer – met het grote bed dat ik ooit heb onder gepiest…

En natuurlijk de naaimachine. Hoeveel kleren zal je niet voor me genaaid hebben? Het eerste kledingstuk dat ik me herinner is een wit jurkje met echte kersenkralen. Achteraf bezien waren het waarschijnlijk gewoon tafelkleedgewichtjes, maar wat was ik trots! Zo trots dat ik dat jurkje perse aan wilde toen we voor het eerst met de metro gingen. Met oma op avontuur. Wel een beetje jammer dat ik zo misselijk werd dat ik het jurkje onderkotste en we vroegtijdig de metro moesten verlaten… Later volgde punkkleren – je moet ongetwijfeld aan mijn geestelijke gezondheid hebben getwijfeld, maar je gaf geen kik – gevolgd door mantelpakjes voor m’n eerste echte baan, en zelfs op m’n trouwdag droeg ik een pak dat jij had gemaakt – inclusief koperen kraag die we bij Blue Moon in de Haarlemmerstraat op zolder mochten natekenen. Nog niet eens zo lang geleden kon je het echt niet meer zien, en zodra je groen garen begon te gebruiken om m’n rode bloes te naaien, was het tijd om over te stappen naar de lokale Gouden Schaar. Maar nooit meer heb ik met zoveel trots kleding gedragen.

En dat brengt me bij trots. Wát ben ik trots op een oma zoals jij. Jouw motto was altijd: ‘Ik ben sterk, ik heb twee handen, ik kan werken en ik kom er wel’. En je hebt ongetwijfeld regelmatig met die twee handen van je in het haar gezeten, maar ik hoop dat ik daar een stukje oma in me heb meegekregen: je kan altijd weer opkrabbelen en verder gaan.

Maar nu had je de energie niet meer om op te krabbelen en verder te gaan. En oompie, hoe moeilijk dat ook is te accepteren, ik heb gezien en gevoeld dat het goed was – en wonderbaarlijk genoeg kan ik oprecht gelukkig voor je zijn.

Lieve oma, zo’n 47 jaar geleden liet je mij met kinderwagen en al de plomp in rijden. Geregeld werd je daarmee geplaagd, en werd je ingewreven dat je dat de rest van je leven nog wel zou moeten horen. Oompie, ik had gewild dat je het nog jaren aan had moeten horen. Het heeft niet zo mogen zijn, maar geloof me: we zullen de herinnering levend houden. En dan bedoel ik niet alleen aan het kinderwagenincident, maar de herinnering aan het bijzondere, prachtige mens dat je altijd voor ons bent geweest. Je hebt voor ons allemaal de wereld een beetje mooier gemaakt, en in de afgelopen dagen van afscheid, heb je me laten inzien dat dat misschien wel de zin van het leven is: de wereld een stukje mooier achterlaten dan hij was…

Met jou heeft een stukje van mijn hart ook deze wereld verlaten. Maar hé, oudje, als mijn hart maar bij benadering net zo groot is als het jouwe, blijft er nog zat over om mijn geliefden, mijn vrienden, de wereld om me heen alle liefde te geven die nodig is. En hopelijk kan ik dan ook ooit de wereld een stukje mooier achterlaten dan hij was.

Lieve oompie, bedankt voor alles dat je me hebt meegegeven. Ik hou van je.

Het was goed zo.

Je Femmelientje

Oma vertelt – deel IV

“De herrie van vliegtuigen… Vandaag de dag nog steeds sla ik mijn handen voor mijn oren als ik een vliegtuig hard hoor bulderen.”

omajittysmallOp 10 mei 1940 om 03.55 uur liet Adolf Hitler de invasie op Nederland inzetten. Vier dagen later eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam. De stad werd overgegeven, maar toch volgde het vernietigende bombardement. ‘Communicatiefoutje’ met grote gevolgen: 800 doden en 78.000 daklozen. Onder de daklozen was mijn oma Jitty.

Lees deel III hier >>>

“Naarmate de oorlog langer duurde, werd de honger steeds erger. We hadden een tante, Jo, in Goor in Overijssel. Zij woonde tussen de boeren en daar was nog wel wat te eten te halen. In maart 1944 zijn Ali en ik op de fiets naar Overijssel gegaan. Ik had een oude herenfiets met driedubbele – kapotte – banden over elkaar want er was geen band meer te krijgen. Ali had een damesfiets, ook met de ene band over de andere. We kregen dozen mee met plakspullen, dat was wel nodig ook. Tijdens die rit heb ik banden leren plakken, god, ik heb nog nooit zo veel banden geplakt! Op de heenweg was het prachtig weer en het ging allemaal redelijk voorspoedig. We sliepen bij boeren onderweg, want je mocht natuurlijk ’s avonds niet buiten zijn. Maar ja, toen kwamen we bij de Deventerbrug en daar mocht je niet overheen, die werd beschoten door de Engelsen. Aan beide kanten stonden Duitsers op wacht en je mocht er alleen maar door als hoge pief. Ali heeft daar een heel verhaal tegen zo’n vent op staan hangen. Ze had zogenaamd een kind aan de andere kant van de brug en die was ziek en huilde de hele dag om zijn moeder en die wilden we nu terughalen. Nou, toen die Duitser zei: ‘Schnell, fahren’ hoefde hij dat niet te herhalen. Wij vlug die brug over, en we zijn er goed overheen gekomen.”

Een hele rijkdom
“Eenmaal in Goor, nam tante Jo ons mee naar verschillende boeren. Ze instrueerde ons om, als we bij zo’n boer kwamen, een beetje mank te lopen, te zeggen dat we honger hadden en dat we dolgraag wat te eten wilden. Nou, dat hebben we meegespeeld. En we hadden ook spulletjes bij ons, om te ruilen. Ali had nog leren laarzen, en we hadden molton en klossen garen wat onze moeder nog had gehamsterd. Ja, die boeren zijn in de oorlog wel stinkend rijk geworden, wat ze allemaal niet kregen in ruil voor eten! We hadden uiteindelijk tien eieren, die heeft tante Jo voor ons gekookt, anders kregen we ze nooit heel over natuurlijk. En een zak rogge, tarwe, een stuk kaas, een stuk spek. Het was een hele rijkdom. Alles ging in de fietstassen en toen weer terug. We mochten nu wel zonder problemen de Deventerbrug over. We gingen nu naar de kant gingen waar geen eten was, daar mochten we natuurlijk wél heen. Het was prachtig weer, we hebben nog een heel eind kunnen fietsen. Maar op een gegeven moment waren onze voeten zo moe, dat we onderaan een dijk met onze voeten in een sloot zijn gaan zitten. Toen stond er ineens een boer bovenaan de dijk: “Wat zijne we aant doen, meissies?” Niks, we hadden het heet en waren moe! Eenmaal bij Amersfoort waren we nog buiten toen de avondklok begon. Een Duitse militaire colonne heeft ons toen meegenomen en naar een school gebracht. Daar konden ook je fietsen binnen staan, maar we waren natuurlijk niet de enigen. En ja hoor: ’s ochtends bleken de eieren gejat.”

Door het achterwiel gezakt
“We zijn toen doorgegaan naar Gouda, dat moesten we kunnen halen voor spertijd, zelfs zonder banden. We hadden namelijk even voorbij Amersfoort alle banden eraf gegooid want we kregen ze niet meer heel. En dat rijdt rot hoor, op zo’n brede velg! In Gouda woonden twee zussen van onze vader, tante Francien en tante Daan. Onderweg daarheen kom je bij Haastrecht. Daar moet je een hol op en daar bovenop stond een oude, kapotte molen. Dus wij die hol op fietsen – ik heb achteraf gezien nog nooit zo gelachen. Ali fietsen, fietsen, fietsen, en ik er achteraan. Het ging allemaal best, en ineens blijft Ali’s fiets stilstaan en ze zakt zo door het achterwiel!”

Op de schillenkar naar Rotterdam
“We hebben haar fiets bij die molen mogen zetten en Ali’s fietstas over de stang van mijn fiets gelegd. We zijn toen naar tante Francien gelopen, we hadden nog maar één fiets en daar kon je natuurlijk niet achterop zitten. Bij tante Francien mochten we wel de fietsen neerzetten met eten, maar we mochten er niet slapen. Dat deden wij natuurlijk niet, want ja, dat mens had ook honger. Toen zijn we naar tante Daan gegaan, aan de Karnemelksloot, en daar mochten we gelukkig wel slapen. De volgende dag zouden we naar Rotterdam moeten gaan lopen. En we hadden natuurlijk dat stuk vanaf Haastrecht naar Gouda al gelopen. Maar goed, het moest gebeuren, dus we zijn maar gewoon gaan lopen. Op een gegeven moment kwam er een schillenboer ons achterop rijden. En met hem mochten we meerijden zeg, helemaal naar Rotterdam! Die man zette die fiets erin, en wij er achter aan. Maar we moesten natuurlijk wel op de schillen zitten. Stinken, stinken! Maar we kwamen wel beter thuis dan wanneer we helemaal hadden moeten lopen. Aan het eind van de Hoofdweg zijn we weer van de kar gestapt en toen moesten we de stad nog door en toen waren we eindelijk, na zo’n 14 dagen weer thuis. Ik had wel een zwerende hiel van het lopen, maar al het eten, behalve de eieren, hebben we thuisgekregen. Onderweg aten we zelf brood, dat tante Jo ons had meegegeven. En daar hebben we natuurlijk heel zuinig mee gedaan, want thuis zaten mijn vader en Kees en Cor (de zoon van Kees en Ali) te gillen van de honger.”

De angst dat je wordt doodgemaakt
“Wat ik nooit over zal kunnen brengen is de angst, je wist nooit wie je kon vertrouwen. Eigenlijk kon je niemand meer vertrouwen, behalve je eigen groepje. De NSB’ers waren overal. Toch, het medeleven van de – goede – Hollanders met elkaar, onder elkaar, was geweldig. Bas kocht bijvoorbeeld weleens zwarte shag, daar maakte hij sigaretten van en die verkocht hij weer. Dan stonden er wel eens jochies aan de deur, die kwamen waarschuwen: ‘Rooda, pas op, want anders verraden ze je.’ Maar die angst kan je niet overbrengen, dat moet je meemaken. De angst dat je wordt doodgemaakt.”

Zweeds wittebrood
“We hadden een radiootje, maar die had mijn vader uit angst voor de Duitsers verborgen in de tuin. Want alles waar koper in of aan zat, had je in moeten leveren. Andere buren hadden wel eens hun radio aan. Zo hoorden we in september ’44 dat Nederland elk moment bevrijd kon worden. Maar ja, dat bleek al snel niet waar. De bevrijding liet nog wel even op zich wachten.”

“Op een dag in april ’45 verschenen er bommenwerpers boven Rotterdam. Maar deze keer geen bommen: de luiken gingen open en voedselpakketten werden gedropt boven het Kralingse Bos! Kees van Ali zat in het buurtcomité, en wist daar al van tevoren van, dus die was er op tijd bij. Hij kwam thuis met zeepkaken, chocola en Zweeds wittebrood! Dat was nog lekkerder dan gebak!”

voedseldroppingkralingsebosLoop de Noordzee maar in
“Op een nacht werd er ineens keihard bij Ali op de buitendeur gebeukt, met de achterkant van een geweer. Ze was alleen, dus ging bevend naar de trap toe en trok aan het touw om de deur open te doen. Komt er zo’n mof naar binnen stappen. Of hij richting Duitsland liep! Ze kon er nog net uitbrengen: ‘Jawohl, gerade aus, gerade aus!’, meer niet. Maar ze vertelde me later dat ze dacht: ‘Loop maar naar de motorweg! Of beter: loop de Noordzee maar in van mijn part! We wisten toen nog niet dat de bevrijding eindelijk heel dichtbij was.”

De bevrijding
“Op 5 mei kwamen opnieuw de berichten dat de oorlog was afgelopen. In het bijzijn van Prins Bernhard was in Wageningen de capitulatie getekend. Dat ging natuurlijk als een tamtam de hele buurt door. Kort daarop zagen we inderdaad de soldaten voorbij marcheren, richting Duitsland. Toen kwamen de straatfeesten. Iedereen was gek, iedereen ging naar buiten, feestvieren, de vlaggen gingen uit. Die waren verstopt geweest – zwaar verboden natuurlijk – en kwamen nu massaal tevoorschijn. Het was heerlijk om zomaar te zingen en te gillen, er kwam vanzelf wel iemand met een accordeon of iets dergelijks om muziek te maken. Iedereen was één, iedereen was blij. Natuurlijk waren er de opstootjes waar zogenaamde moffenhoeren naar buiten werden gesleept en kaalgeschoren werden. Maar alles ging voorbij in een waan, alsof het allemaal één grote droom was.”

“De Duitsers waren weg, de angst was weg, die gekke rotte vliegtuigen waren weg. De herrie van vliegtuigen… Vandaag de dag nog steeds sla ik mijn handen voor mijn oren als ik een vliegtuig hard hoor bulderen. Eindelijk begon ons leven weer rustig te worden. Dat gebeurde natuurlijk niet in één dag. Het land moest opnieuw opgebouwd worden en dat kost tijd. Maar langzaamaan kregen de bakkerijen weer wat meel en kon er weer wat gebakken worden, de Canadezen voerden wat voedsel aan. Het ging langzaam, maar de oorlog… die was voorbij!”

Lopend uit Duitsland
“Pas maanden later kwamen m’n broers terug uit Duitsland, lopend en liftend. We hadden al die tijd niet geweten hoe het met hen was. Maar één keer kregen we een ansichtkaart van Bep uit Berlijn, maar dat was alweer zo lang geleden. Bep was de eerste van hen die terugkwam. Het duurde nog zeker twee maanden voor Piet thuis kwam. Hij heeft het nooit echt over zijn tijd in het concentratiekamp gesproken. Hij heeft me slechts één keer gezegd: ‘stel je eens voor dat je daar staat met al je kameraden en dat zij worden doodgeschoten en jij met nog één of twee andere in leven mag blijven.’ Het was te zwaar om over te praten. Maar ze waren weer thuis, levend, dat was het belangrijkste…”

Dankwoord

Lieve oma,

Dankjewel voor het delen van je verhaal. Ik heb niet alles wat je hebt verteld in het verhaal op kunnen nemen, er is zo vreselijk veel gebeurd. Ik weet dat je het niet graag over de oorlog hebt: “De oorlog? Dat is al zo lang geleden, daar ga ik niet meer om treuren hoor”, zeg je dan. Dat maakt me extra dankbaar dat je toch je verhaal hebt gedeeld, en dat ik het weer door heb mogen vertellen. Want hoe lang geleden ook, het verhaal moet verteld blijven worden, steeds weer. Opdat het nooit meer zal gebeuren…

Je kleindochter, Femmelientje

Oma vertelt – deel III

“Ik schiet nog vol als ik eraan denk hoe hij stond in die gang, die gekke gozer: ‘Zeg dat het niet waar is’. Maar het was wel waar…”

omajittysmallOp 10 mei 1940 om 03.55 uur liet Adolf Hitler de invasie op Nederland inzetten. Vier dagen later eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam. De stad werd overgegeven, maar toch volgde het vernietigende bombardement. ‘Communicatiefoutje’ met grote gevolgen: 800 doden en 78.000 daklozen. Onder de daklozen was mijn oma Jitty.

Lees deel II hier >>> 

“Na het overlijden van mijn moeder, mocht ik van mijn vader niet meer werken. Ik moest thuisblijven om het huishouden te doen en daar kreeg ik zogenaamd huishoudgeld voor. Dat was in het begin natuurlijk een hele sport, want ik had nog nooit ergens voor hoeven zorgen, en dan sta je er ineens alleen voor. Ondertussen werd de situatie door de oorlog steeds slechter.”

Beledigen van Hitler
“Onze oudste broer Bep was een metaalbewerker, een bankwerker. Hij werd begin 1941, voor mijn moeders overlijden, opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Hij had geen keus, hij werd verplicht. Bep moest naar Duitsland, in de buurt van Berlijn. Toen mijn moeder overleed heeft mijn vader Bep een telegram gestuurd. Maar eer hij van die Duitsers weg mocht… Hij kwam op de avond van moeders begrafenis thuis. Ik schiet nog vol als ik eraan denk hoe hij stond in die gang, die gekke gozer: ‘Zeg dat het niet waar is’. Maar het was wel waar… Bep mocht een week blijven en toen moest hij weer terug naar Duitsland. In die week begon mijn jongste broer Piet te zeuren dat hij ook naar Duitsland wilde. Mijn vader heeft steeds geprobeerd om Piet ergens onder te laten duiken, maar dat wilde hij niet. Meneer deed zelf wel wat hij wilde, het was een eigenwijs. Bep heeft hem nog geprobeerd over te halen bij hem te komen werken, want Bep kon nogal veel bij Piet gedaan krijgen. Maar dat wilde Piet niet, hij ging wel op zichzelf. Hij heeft alles geregeld en is ergens bij München terecht gekomen. Daar heeft hij ’s avonds in een café zitten verkondigen dat hij niks van Hitler moest hebben. Ja, dat vonden wij allemaal ook wel, maar je mocht het niet zeggen, want dat was natuurlijk een grote belediging. Hij is dan ook opgepakt en naar een concentratiekamp vervoerd. We het niet zeker, maar het moet Dachau geweest zijn, dat lag zo’n 20 kilometer ten noordwesten van München.”

Uren in de rij voor een halfje brood
“En die rotoorlog ging maar door. Het eten ging op de bon. Je kreeg bonnetjes voor een halfje brood, en daar moest je dan uren voor in de rij staan. Er was geen zeep meer om je te wassen. Dan kreeg je zogenaamde Duitse zeep, luchtzeep noemden ze dat: een beetje zand met rotzooi erdoor, dat schuurde gewoon. Ook koffie, thee, alles was surrogaat. Onze vader heeft tot het eind van zijn pensionering altijd gewerkt – die drinkwaterleiding liep wel, want die moffen moesten toch ook water hebben! – maar van het geld wat je kreeg kon je niks meer kopen. Er was simpelweg niks! Begin 1943 gingen we echt onze buiken voelen. Toen werd het pas echt erg.”

“Je kon soms bij de gekste adressen bijvoorbeeld aardappelen kopen. Maar die moest je dan stiekem gaan halen, en zorgen dat je niet gevolgd werd. Je werd zo verraden. We waren verplicht om, als wij aardappelen gingen halen, de buren boven ook aardappelen te geven, want zo hoorde het zogenaamd. Ali heeft met de aardappelen onder haar bed gelegen, want als je ze in de aardappelkist boven legde, waren de volgende dag aardappelen zoek. M’n vader heeft zelfs eens een keer een brood voor ons gekocht, een heel wit brood, voor 60 gulden. Zelf kreeg hij op zijn werk bij de gemeente zogenaamd soep. Nou, als je de vloer had gedweild, dan zag je sopje er net eender uit als die soep! We hoorden de vreselijkste verhalen. In het Zwaanshals heeft een zoon een vader doodgeslagen want z’n vader had nog een aardappel op z’n bord en die wilde hij hebben, want hij stierf van de honger, maar die vader wilde ‘m ook niet geven, want die had ook honger.”

“Ik herinner me ook nog dat mijn vader tabaksplantjes op de kop had weten te tikken. Die heeft hij gepoot en toen ze groot genoeg waren, heeft hij ze door iemand laten fermenteren. Zo kon hij toch z’n shagje nog roken. Maar hij moest wel op het balkon gaan staan omdat het zo vreselijk stonk!”

“Er werd nog steeds regelmatig gebombardeerd, maar dat was in het westen van Rotterdam. We konden dus wel naar buiten, maar zodra het donker werd moest je naar binnen. En in de zomer moesten we om acht uur binnen zijn. Onze vader had een speciaal pasje, zodat hij ’s avonds naar z’n werk kon en weer naar huis. Hij had een fiets, en droeg een grote cape die hij om z’n fiets kon slaan. Op de drinkwaterleiding stookten ze met cokes. Hij nam dan stiekem een zakje mee, dat legde hij dan in het kruis van z’n fiets, onderin, en dan kwam hij helemaal met z’n fiets van de Honingerdijk naar de Ruivendwarsstraat lopen. Dan konden we zelf wat stoken en er natuurlijk wat van verkopen, zodat we weer wat te eten konden kopen. Maar als hij gesnapt was, was hij voor het peloton gekomen.”

Als je niks weet, kan je ook niks verraden
“In die tijd werd de ondergrondse steeds actiever, met alle gevolgen van dien. Hadden ze bijvoorbeeld een hogere Duitser doodgeschoten, werden er als represaille 15 willekeurige mensen opgepakt, tegen de muur gezet en wroets… allemaal achter elkaar doodgeschoten… Het gebeurde wel dat er ineens een kabaal was bij ons huis, stonden er heel jonge ventjes voor de deur: ‘Maak dat je wegkomt, er zijn er hier twee doodgeschoten!’. Nou dan werd de hele straat gecontroleerd. Het onderduiken ging dan ook in het grootste geheim. Mannen wisten vaak niet eens waar hun vrouw ondergedoken zat. Als ze iemand pakten, werd die natuurlijk ondervraagd, maar als je niet wist waar je partner zat, kon je tenminste ook niks verraden.”

Razzia
“De Duitsers hielden ook iedere keer razzia’s, dan moest je ze binnen laten. Ik herinner me nog goed dat er bij Ali een vent boven kwam – ze had haar tweede kind, Elza al – en die zei: ‘Heeft u één kindje maar?’ Want hij zag alleen het baby’tje. Toen zei ze: ‘Nee, ik heb er twee, maar die ander zit onder het bed.’ Dat was Cor, die was met z’n 3 jaar al als de dood voor de moffen. Terwijl die man Cor vriendelijk onder dat bed vandaan probeerde te praten zat haar man Kees onder in de kruipkelder, met vier buren, mannen. Ze hadden een tussenmuur gevonden waar stenen uit waren. Ze hebben toen die stenen op staan stapelen zodat het gat dicht leek en daar zaten ze te wachten tot de Duitsers weer weggingen. Toen kwam er ineens een andere Duitser bij haar binnen stampen, die nam een bajonet en die stak zo in het plafond om te kijken of daar niet iemand tussen verscholen zat. Toen zei die eerste man, die zo aardig tegen Cor deed: “Ach fahren sie!”, die ene Duitser werd overgehaald door die ander en ze liepen zo de straat weer op. Dus ja, er waren er ook aardiger Duitsers bij.”

Verliefd
“Ondertussen ging het ‘gewone’ leven toch ook door. Op een zomerdag in 1942 was ik een stuk gaan fietsen met Sjaan, een vriendin van school en tevens buurmeisje. Het was prachtig weer en we fietsten naar mijn tante in Alphen aan den Rijn. In de buurt van Boskoop kwamen we haar zoon, mijn neef Wim tegen. Hij was ook aan het fietsen, met een vriend, Bas. Ze fietsten een stuk met ons op, we praatten wat en bij het afscheid zei Bas: ‘Ik kom je nog wel ‘ns opzoeken’. ‘Welja, dat moet jij weten’, dacht ik. Maar een week later stond ‘ie voor de deur! En een week later weer, en nog een week later weer. En elke keer nam hij wel iets voor me mee: een doosje bonbons, kaakjes – zwarte handel natuurlijk, maar wel erg lief. In 1943 trok Bas bij ons in. Als mijn moeder er nog was geweest, zou ze dat minder makkelijk opgenomen hebben, maar mijn vader vond het prima: ‘Als jij dat wilt, moet je dat doen’, was alles wat hij zei. In november 1945 zijn we getrouwd. Maar zover was het nog niet…”

Deel IV – het laatste deel – volgt morgen, bevrijdingsdag…

Oma vertelt – deel II

“Van ons huis waren alleen vier muren over, en een diepe put waar een hoop rommel in lag.”

omajittysmallOp 10 mei 1940 om 03.55 uur liet Adolf Hitler de invasie op Nederland inzetten. Vier dagen later eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam. De stad werd overgegeven, maar toch volgde het vernietigende bombardement. ‘Communicatiefoutje’ met grote gevolgen: 800 doden en 78.000 daklozen. Onder de daklozen was mijn oma Jitty.

Lees deel I hier >>>

Jitty: “Na het bombardement heeft Ali zich bij haar verloofde Kees aan kunnen sluiten. Ze zijn bij boeren buiten Rotterdam gaan vragen of ze ergens slapen mochten. Bij één boer mochten ze komen. Die had zijn stal leeggemaakt en overal stro neergegooid en zoveel mensen als er in konden mochten daar slapen. Vlak na Ali en Kees kwamen een man en vrouw binnen, met twee kinderen bij zich. Hun andere drie kinderen waren al bij het bombardement omgekomen… De man liep met een jutezak om zijn voet, zijn hiel was weggeslagen. Dat was natuurlijk één en al bloed. De boerin heeft uiteindelijk een jongen gevonden die bereid was naar een dokter te gaan om te vragen hoe die wond ontsmet kon worden. Maar niemand in de stal wilde de man helpen. Ali heeft toen aangeboden zijn wond te ontsmetten. Niet dat ze wist hoe dat moest, maar tja, de dokter had de boodschap meegegeven dat die voet in lauw water gezet moest worden met het medicijn dat hij had meegegeven. Dat heeft ze gedaan, die man een poosje zo laten zitten, wat door het water gewoeld zodat het water een beetje langs de wond bewegen zou. Met een handdoek, die ze had gekregen van de boerenvrouw, heeft ze de wond droog gedept. Meer kon ze ook niet doen. Ze zijn één nacht bij die boer blijven slapen.”

Rotterdam in brand
“De andere ochtend is vader teruggegaan naar ons huis. Het bombarderen was even gestopt, maar alles stond in brand. Zelfs vanuit het volkstuinhuisje zagen we Rotterdam branden. Je kon zo’n end ver zien. Het was een heel groot gedeelte wat weggebrand was, hoor. Vader kwam terug met de mededeling dat we niks meer hadden. Van ons huis waren alleen vier muren over, en een diepe put waar een hoop rommel in lag. Omdat in onze buurt die drie scholen stonden, hadden de moffen veel op die scholen gemikt om zo die Hollandse soldaten uit die scholen te verdrijven. Nou, daar zat je dan. Toen is mijn vader naar Arie gegaan, onze oudere broer, die getrouwd was met Dien. In hun huis aan de Zwaanshals was een zolder op de vierde verdieping, die gedeeld werd met een andere familie in het huis. Daar mochten we slapen, met z’n allen op de grond. Op één of andere manier heeft Arie zelfs nog een matras voor moeder weten te regelen.”

Bommen_op_Rotterdam_mei_1940400pixGeen washandje om je bek te wassen
“We hadden dus echt helemaal niks meer. Toch kwam ook dat jaar mijn verjaardag, op 3 juli, eraan. Ik herinner het me nog zo goed. Moeder zei: ‘Meissie, je weet hoe ik ervoor sta, ik kan nu echt geen cadeautje voor je kopen’. En ik antwoordde: ‘Dat geeft niet, als ik maar een eigen jurk krijg!’. Je had geen washandje om je bek te wassen, het hele huis was weg. Maar de jurk heb ik gekregen. Een katoentje (lachend), want het was hartstikke zomer. Het was zo’n lieve moeder, ze was er helemaal voor haar kinderen en haar gezin. En ze gaf mij m’n katoentje, gekocht zelfs, bij Witteveen. We hadden immers geen naaimachines meer! Voor de oorlog hadden Ali en ik allebei een naaimachine gekregen, toen we van de huishoudschool afkwamen. Ik had zelf een hele mooie trapnaaimachine, die kon je laten inzakken en dan ging er een prachtig afgewerkte houten kap overheen. Maar ook die was weg, net als de rest.”

“M’n verjaardag ging voorbij maar het vechten ging maar door. De Duitsers waren echt overal, die namen de macht over. Vonden ze jouw huis leuk? Dan werd je huis gevorderd en gingen de Duitsers erin. Na een kleine maand op die zolder aan de Zwaanshals hoorde mijn moeder dat er in de Ruivendwarsstraat 14, in Rotterdam Noord, het pand van een voormalig waterstokerijtje leeg was en dat konden we huren. Toen zijn we daar in getrokken, m’n vader, m’n moeder, Piet en ik. Ali trouwde op 21 september 1940 met Kees en zij kregen, via de opoe van Kees, op de Goudse Weg een huisje. Dus die woonde ook zelfstandig. Mijn vader werkte ondertussen nog steeds bij de Gemeentelijke Drinkwaterleiding, en ik kon aan het werk bij Ali, in de huishouding bij mevrouw Lemm.”

De dood en een nieuw leven in één dag
“In januari 1941 kreeg ik een blindedarmontsteking. Daar ben ik aan geopereerd. Net na mijn operatie werd mijn moeder grieperig en kreeg koorts en daarom moest ik langer dan gebruikelijk in het ziekenhuis blijven; pas na tweeënhalve week mocht ik naar huis. Ik kon natuurlijk niet direct weer aan het werk en ben ook nog een aantal weken thuis gebleven. Begin maart werd mijn moeder weer ziek. Op 17 maart was ze ’s ochtends nog even uit bed geweest. Na het avondeten heb ik met mijn vader samen afgewassen en toen ging hij nog even naar bed; hij had die nacht nachtdienst. Ik was dus alleen in de kamer met mijn moeder, toen ze heel raar begon te snurken. Ze reageerde niet toen ik haar vroeg wat er was. Ik heb vader wakker gemaakt en we besloten een dokter te laten komen. Dokter van Veen, een homeopathisch arts, heeft haar toen een injectie gegeven, met de mededeling ‘Als ze binnen vijf minuten niet reageert, gaat ze dood’, en dat gebeurde ook. Ze reageerde er niet meer op. 21 maart is ze begraven en de nacht van 21 op 22 maart is haar eerste kleinkind geboren, Cor van Ali en Kees.”

Deel III volgt morgen.

Oma vertelt – deel I

“Eruit meiden, ik weet niet wat er aan de hand is maar het is fout!”

omajittysmallOp 10 mei 1940 om 03.55 uur liet Adolf Hitler de invasie op Nederland inzetten. Vier dagen later eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam. De stad werd overgegeven, maar toch volgde het vernietigende bombardement. ‘Communicatiefoutje’ met grote gevolgen: 800 doden en 78.000 daklozen. Één van de daklozen was mijn oma Jitty.

Jitty van Leeuwen (3 juli 1921) en haar oudere zus Ali woonden ten tijde van het uitbreken van de tweede wereldoorlog in de Touwslagerstraat in Rotterdam Oost. Hun vader Cor werkte bij de Gemeentelijke Drinkwaterleiding aan de Honingerdijk, hun moeder Aafje zorgde voor het huishouden en voor Piet, de jongste van het gezin.

Het leven voor de oorlog
Jitty blikt terug op het leven vlak voor het uitbreken van de oorlog: “We hadden een gelukkig gezin, woonden in een leuk huisje, iedereen was gezond en we hadden het niet echt arm voor die tijd. Mijn broer Arie was getrouwd met Dien en woonde elders in Rotterdam. Ali, Piet en ik woonden nog thuis. Ik was 18 en werkte bij wasserij Bombeke. Mijn zus Ali was 22 en werkte sinds kort in de huishouding bij mevrouw Lemm, van de suikerwerkfabriek Lemm & Co.”

“We hadden een gezellige huiskamer en een ‘goeie kamer’. Wij kinderen noemden het gewoon ‘het museum’. Er stond een deftige kast, een mooie haard, allemaal spullen die voor die tijd prachtig waren, maar er mocht niet in geleefd worden. Moeder had die spullen gekocht voor als ze later naar het bejaardenhuis zou gaan. Tussen de huiskamer en het ‘museum’ waren twee tussenkamertjes. In de eerste stond het tweepersoonsbed van vader en moeder. Via een opening in de muur – er was niet eens een deur – kwam je in het andere ‘kamertje’, waar het tweepersoonsbed van Ali en mij stond. De jongens sliepen boven op zolder.”

De invasie
Op 10 mei 1940 trokken Duitse troepen de Nederlandse grens over. Jitty: “’s Morgens om 4 uur werden we wakker van de rotherrie van de overkomende vliegtuigen. Vader trommelde ons uit bed: ‘Eruit meiden, ik weet niet wat er aan de hand is maar het is fout!’ Toen we naar buiten gingen, zagen we dat de lucht boven Rotterdam Zuid vergeven was van de parachutes: Duitsers. In de dagen daarop volgend werd er vreselijk gevochten. Het was het ergste bij de Maasbrug, omdat dat voor de Duitsers de toegang tot het centrum van Rotterdam was. De Hollandse soldaten lagen aan de noordkant van de Maas, de Duitse soldaten aan de zuidkant. De wasserij waar ik werkte lag aan de Oostmaaslaan, net boven de Maasboulevard. Daar werd zo vreselijk gevochten, dat ik niet meer naar werk kon.”

600 jaar geschiedenis verwoest
De Nederlandse troepen verzetten zich zo fel tegen de Duitsers, dat hun opmars naar Frankrijk ernstig werd vertraagd. De Duitsers besloten een doorbraak te forceren en begonnen op 14 mei met het bombarderen van Rotterdam, Den Helder en Hengelo. Rond half 2 ’s middags werd het 600-jarig Rotterdam in een kwartier tijd door 97.000 kilo Duitse brisantbommen verwoest. [1]

Jitty herinnert zich: “Ondanks de gevechten waren we op het bombardement niet voorbereid. Toen het begon zijn we naar beneden gegaan, om onder de trap te schuilen. Al snel werd er door Nederlandse militairen door de straten geschald dat we de huizen uit moesten omdat we ingesloten waren door de branden. Vlakbij ons huis stonden drie scholen die sinds de aankondiging van de mobilisatie bezet waren door Hollandse soldaten en de Duitsers hadden het daarop voorzien. We moesten à-la-minute vertrekken en hadden alleen tijd om het pakket papieren te pakken, dat we klaar hadden liggen. In onze straat was nog geen voltreffer geweest en m’n vader heeft de deur achter zich dichtgetrokken met de gedachte dat we zo weer terug zouden zijn. Maar in de Lusthofstraat, vlakbij, bleek het erger dan we dachten. Er lagen mensen onder de huizen te gillen en te schreeuwen: ‘red me, red me’. Terwijl alles om ons heen in brand stond, zijn we door de Rubensstraat via de Oudedijk naar de ’s-Gravenweg gevlucht. Ik zal de herrie nooit vergeten. Zelfs nu nog sla ik bij heel harde geluiden m’n handen voor m’n oren.”

“Op de ’s-Gravenweg woonde oom Piet, een broer van mijn moeder, met tante Maartje. In die buurt had je volkstuintjes. Oom Piet heeft wat stro bij elkaar kunnen scharrelen en toen mochten we in een tuinhuisje van iemand slapen. Mijn vader, mijn moeder, mijn broer Piet en ik, met onze kleren aan op de grond in de rommel.”

Tranen gelachen
Ali was op het moment van het bombardement op haar werk, bij mevrouw Lemm: “Het was een oud, rijk, klein en vooral naar wijffie. Ze had acht of negen kinderen, waaronder twee al bijna volwassen knullen. Toen het bombardement begon moesten de kinderen pannen gaan halen om op hun hoofd te zetten ter bescherming. Ali was natuurlijk maar een hulpje, dus tegen de tijd dat zij een pan kon pakken, waren die op. Ze heeft toen maar een vergiet op haar hoofd gezet. Daar stonden ze dan. Mevrouw Lemm en de kinderen met een pan op hun hoofd, en Ali er achter, met een vergiet. Later vertelde ze me dat het ondanks de dreiging van het bombardement zo’n absurd gezicht was, dat ze zich tranen heeft gelachen!”

lemcofabriek

 

 

 

 

 

 

Deel II volgt morgen.

[1] Bron: Wikipedia